Lexplicatie 3.27d-III; Internationale vreemdelingenregelgeving: Reguliere migratie

Auteurs:
RaukemaJongbloed prijs:
€ 59,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 633 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 1e editie | Verschenen in 2011
ISBN-13: 9789013091397 | ISBN-10: 9013091393 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
In verband met de omvang is de Internationale vreemdelingenregelgeving verdeeld over de volgende delen:
Deel 3.27d-I: Visa, toegang en grensbewaking;
Deel 3.27d-II: Asiel;
Deel 3.27d-III: Reguliere migratie;
Deel 3.27d-IV: Terugkeer en samenwerking.
In Europees verband zijn de laatste jaren gemeenschappelijke instrumenten ontwikkeld en is gemeenschappelijk beleid tot stand gekomen, gericht op zowel de interne als de externe aspecten van immigratie.
Het onderhavige deel bevat regelingen over de reguliere migratie, waarbij met name de positie van de ‘gewone’ migrant aan de orde komt, die voor bijvoorbeeld gezinshereniging, studie, wetenschappelijk onderzoek of arbeid naar Nederland komt.
De auteur heeft de regelgeving voorzien van helder commentaar, met veel citaten uit de jurisprudentie.
Serie
Rubriek / NUR
Staats- & Bestuursrecht
Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Vreemdelingenrecht, Migratie
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije
- Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije
- Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Associatieovereenkomst EEG-Turkije)
- Richtlijn 2003/109/EG betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (Derdelandersrichtlijn)
- Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 04-04-2012 | BW0790 | Bij besluit van 10 april 2008 heeft de minister de universiteit een boete opgelegd van € 9.500 wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, en 15, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav). |
| 03-04-2012 | BW1435 | Omdat dit verblijfsrecht, gelet op overweging 2.2.3., formeel beperkt is, valt het onder de categorie verblijfsrechten als omschreven in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn. Daarom wordt de periode van 31 augustus 2006 tot 28 september 2006 op grond van artikel 4, tweede lid, van de richtlijn niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het in het artikel 4, eerste lid, bedoelde verblijf. Uit artikel 4, tweede lid, van de richtlijn volgt evenwel niet dat deze periode een onderbreking van het legale verblijf als bedoeld in het eerste lid vormt. De periode wordt alleen niet meegeteld, zodat een vreemdeling die in de vijf jaar voorafgaand aan zijn aanvraag enige tijd een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad, eenzelfde periode langer legaal en ononderbroken in de lidstaat zal dienen te verblijven om aan de vereisten van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn te voldoen. (?) Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als EU-langdurig ingezetene echter reeds worden afgewezen, indien de vreemdeling in de vijf jaar direct voorafgaand aan zijn aanvraag een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad. (?)
|
| 29-02-2012 | BV7838 | Nog daargelaten of de relatie tussen de vreemdeling en de referent reeds ten tijde van het verblijf in Estland als duurzame relatie was aan te merken, zodat de bovengeschetste rechtspraak over familieleden naar analogie op hen zou kunnen worden toegepast (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011 in zaak nr. 201012035/1/V3 in rechtsoverweging 2.7.3.), staat vast dat zij twee weken in Estland hebben verbleven en vervolgens naar Nederland zijn teruggekeerd, en sindsdien in ieder geval tot het overlijden van de referent daar hun vaste verblijfplaats hebben gehad. Daarom is van een reëel en daadwerkelijk verblijf van de vreemdeling én de referent in Estland geen sprake geweest. Onder die omstandigheid komt aan het gegeven dat de referent ? naar hij heeft gesteld sinds 15 juli 2008 ? stond ingeschreven in Estland niet de betekenis toe die de vreemdeling daaraan gehecht wil zien. Overigens heeft het verblijf van de vreemdeling en de referent in Estland niet plaatsgevonden in het kader van de werkzaamheden van de referent als dienstverlener, maar teneinde carrièremogelijkheden van de vreemdeling als basketbalspeler in dat land te onderzoeken. Een belemmering voor de referent om gebruik te maken van zijn recht op vrij verkeer kon zich in zoverre niet voordoen, zodat voor toepassing van de richtlijn ? naar analogie ? ook om die reden geen grond bestaat. |
| 02-02-2012 | BV2634 | Verzoek om schadevergoeding o.g.v. het gemeenschapsrecht, 120% inkomenseis, Chakroun HvJEU, onvoldoende gekwalificeerde schending van het gemeenschapsrecht. |
| 31-01-2012 | BV2325 | Intrekking aanvullende bijstand. Terugvordering. De rechtbank heeft de Svb terecht gevolgd in zijn standpunt dat appellante als economisch niet-actieve burger van Polen aan de Richtlijn 2004/38/EG in ieder geval al vanaf januari 2007 geen verblijfsrecht meer kon ontlenen. In de omstandigheden waarin appellante ten tijde hier van belang verkeerde, kon zij aan artikel 18 van het EG-Verdrag niet het recht ontlenen op het grondgebied van Nederland te verblijven. Het kon appellante redelijkerwijs duidelijk zijn dat de afwijzing van de aanvraag van een document waaruit het rechtmatig verblijf in Nederland als gemeenschapsonderdaan blijkt een gegeven is dat van invloed kon zijn op haar recht op bijstand. Dat betekent dat zij haar wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. De Svb was bevoegd tot intrekking van de bijstand en tot terugvordering. Matiging terugvordering. Met de toegepaste matiging heeft de Svb de eigen onvolkomenheid in het onderzoek betreffende de aanvraag voldoende gecompenseerd. Het beroep op de zesmaanden-jurisprudentie slaag niet. |