Lexplicatie 3.27d-II; Internationale vreemdelingenregelgeving; Asiel

Auteurs:
RaukemaJongbloed prijs:
€ 69,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 740 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 1e editie | Verschenen in 2011
ISBN-13: 9789013091380 | ISBN-10: 9013091385 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
In verband met de omvang is de Internationale vreemdelingenregelgeving verdeeld over de volgende delen:
Deel 3.27d-I: Visa, toegang en grensbewaking;
Deel 3.27d-II: Asiel;
Deel 3.27d-III: Reguliere migratie;
Deel 3.27d-IV: Terugkeer en samenwerking.
De lidstaten van de Europese Unie hebben zich verbonden een gemeenschappelijk Europees asielstelsel in te voeren, dat gebaseerd is op de integrale toepassing van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen. In Europees verband is regelgeving tot stand gebracht voor de afstemming van de diverse asielstelsels, de harmonisatie van nationale wetgeving van de lidstaten en samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van internationale bescherming. In het onderhavige deel staat het onderwerp asiel centraal.
De auteur heeft de regelgeving voorzien van helder commentaar, met veel citaten uit de jurisprudentie.
Serie
Rubriek / NUR
Staats- & Bestuursrecht
Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Interregionaal Recht, Asiel, Vreemdelingenrecht, Regelgeving
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Richtlijn 2001/55/EG betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang etc.
- Richtlijn 2003/9/EG tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (Opvangrichtlijn)
- Richtlijn 2004/83/EG inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming
- Richtlijn 2005/85/EG betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus
- Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 19-03-2012 | BV9998 | ASIEL. Artikel 15 c van de Definitierichtlijn. Ondanks frustratie onderzoek door manipulatie van vingertoppen heeft de minister, gelet op uitkomst taalanalyse, ten onrechte nagelaten te beoordelen of in het gebied van herkomst van de vreemdeling sprake is van de uitzonderlijke situatie, bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.
|
| 01-03-2012 | BV8589 | Zoals de Afdeling bij uitspraak van 4 juli 2011, in zaak nr. 201100636/1/V3 (www.raadvanstate.nl) eerder heeft overwogen, volgt uit de uitspraak van 26 januari 2011 in zaak nr. 201100079/1/V3 (www.raadvanstate.nl) weliswaar dat de in Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) opgenomen bepalingen geen voorschriften van openbare orde bevatten, zodat een ambtshalve toetsing van die bepalingen bij een beoordeling van een bewaringsmaatregel in zoverre niet aan de orde is, maar dat dit de verplichting van de rechter op grond van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen onverlet laat. (?) Gelet op de hiervoor weergegeven informatie, die ter zitting van de rechtbank naar voren is gebracht en aldus door de rechtbank bij de vaststelling van de voor het aanvullen van de rechtsgronden relevante feiten had moeten worden betrokken, heeft de rechtbank niet onderkend dat reeds voor de inbewaringstelling sprake was van een asielverzoek in de zin van artikel 2, aanhef en onder b, van de Procedurerichtlijn en dat de vreemdeling derhalve een asielzoeker, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder c, van deze richtlijn is en dat de Terugkeerrichtlijn daarom niet van toepassing is. |
| 29-02-2012 | BV7852 | Uit punt 98 van het arrest van 9 november 2010, hiervoor in 2.2.2 weergegeven, volgt dat, uitgaande van de hiervoor in 2.2.3 weergegeven beschrijving van de Hezb-i-Wahdat als een gewelddadige organisatie, een beleid om voor vreemdelingen die bepaalde functies binnen die organisatie hebben bekleed 'personal and knowing participation' aan te nemen, verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de richtlijn. De rechtbank heeft de omkering van de bewijslast die het door de minister gevoerde beleid met zich brengt dan ook ten onrechte op voorhand in strijd met die bepaling geacht. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. Gelet op het volgende kan de grief echter niet tot het ermee beoogde doel leiden. (?) Uit het ambtsbericht, hiervoor in 2.2.3 weergegeven, volgt niet dat iedere persoon met de rang van commandant, ongeacht de inhoud van zijn functie, verantwoordelijk kan worden gehouden voor mensenrechtenschendingen. Het ambtsbericht beschrijft de voor mensenrechtenschendingen verantwoordelijke commandanten immers als leidinggevenden van een militie. Reeds nu de minister zich in het besluit van 22 juli 2009 niet op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling leidinggevende van een militie is geweest, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. |
| 14-02-2012 | BV6268 | Uit deze overwegingen kan worden afgeleid dat het EHRM de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan niet heeft aangemerkt als een waarbij er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat burgers die naar dit land worden teruggestuurd louter vanwege hun aanwezigheid aldaar een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het algemeen ambtsbericht, het rapport van de International Crisis Group van 27 juni 2011 en het rapport van de UN Assistance Mission in Afghanistan van juli 2011, blijkt niet van dusdanige veiligheidsincidenten dat tot een ander oordeel inzake de intensiteit van het geweld in Afghanistan moet worden gekomen dan het EHRM in voormelde arresten heeft gegeven. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de door de vreemdeling overgelegde stukken geen grond bieden voor het oordeel dat de mate van willekeurig geweld ten tijde van belang dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar de provincie Ghazni, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico liep op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, sub 3, van de Vw 2000 bedoelde ernstige en individuele bedreiging. |
| 14-02-2012 | BV6141 | "Anders dan verweerder stelt, is de humanitaire situatie niet alleen van belang in het geval een vestigingsalternatief wordt tegengeworpen, maar kan uitzetting naar een land waar een slechte humanitaire situatie heerst in omstandigheden een schending van artikel 3 EVRM betekenen. In het algemeen zal daar alleen sprake van zijn in zeer bijzondere omstandigheden waar de humanitaire situatie dwingend is (?compelling?) (r.o. 24 in het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 in de zaak N. tegen het Verenigd Kroninkrijk; LJN: BD6647). In het geval de humanitaire situatie (mede) is veroorzaakt door de autoriteiten is echter een lichtere toets aan de orde (arrest van het EHRM van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland; LJN: BP4356). De rechtbank leidt uit het hier meergenoemde arrest van het EHRM in de zaak Sufi en Elmi af dat daarvan sprake is in het geval van uitzetting naar Zuid- of Centraal-Somalië. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet afdoende gemotiveerd waarom de door eiser bij de aanvullende gronden van beroep gevoegde informatie over de in Zuid- en Centraal-Somalië heersende hongersnood, niet kan leiden tot het oordeel dat uitzetting naar dat gebied in strijd is met artikel 3 EVRM en derhalve niet kan leiden tot wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Nu uit de door eiser overgelegde informatie blijkt van een significante verslechtering van de situatie, kon verweerder daarvoor niet volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht van mei 2011. |