Lexplicatie 4.1a; Politiewetgeving Politie en Publiek

Auteurs:
HelsenJongbloed prijs:
€ 59,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 562 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 3e editie | Verschenen in 2011
ISBN-13: 9789013090598 | ISBN-10: 9013090591 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
De delen 4.1a t/m4.1d vormen een miniserie met betrekking tot het onderwerp politiewetgeving. De miniserie bevat de volgende delen:
4.1a: Politie en publiek;
4.1b: Interne organisatie politiekorpsen;
4.1c: Rechtspositie en arbeidsvoorwaarden;
4.1d: Wet politiegegevens.
Deel 4.1a beslaat het onderwerp politie en publiek. Dit deel bevat de Politiewet 1993, alsmede de wetten, verdragen en lagere regelingen die betrekking hebben op taken en bevoegdheden van de politie, de uitvoering van de politietaak, en de behandeling van klachten.
De auteur geeft verhelderend commentaar,met citaten uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie.
Serie
Rubriek / NUR
Straf- & strafprocesrecht
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: 4.210 Nederland, Politie, Politiewet
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Aanwijzing taken en inzet rijksrecherche
- Ambtsinstructie voor de politie, de koninklijke marechaussee en andere opsporingsambtenaren
- Besluit aanwijzing van de personen ex artikel 6, tweede lid, van de Politiewet 1993
- Besluit taken vrijwillige ambtenaren van politie
- Circulaire Aanhouding- en ondersteuningseenheid (AOE 'n)
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 27-03-2012 | BV6665 | OM-cassatie. Art 184.1 Sr eist een ?krachtens wettelijk voorschrift? gedane vordering. Een dergelijk voorschrift moet uitdrukkelijk inhouden dat de betrokken ambtenaar gerechtigd is tot het doen van een vordering (vgl. HR LJN BB4108). De tenlastelegging houdt in dat de vordering van de daar genoemde agenten aan de verdachte om te vertrekken, is gedaan krachtens art. 7 van de APV Tilburg. In aanmerking genomen dat deze bepaling niet uitdrukkelijk inhoudt dat de politieambtenaar is gerechtigd tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is, geeft ?s Hofs oordeel dat de vordering niet ?krachtens wettelijk voorschrift? is gedaan, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. |
| 07-02-2012 | BV6172 | Prejudiciele vragen. |
| 24-01-2012 | BT7085 | 1. Krachtens wettelijk voorschrift gedane vordering, art. 184.1 Sr, niet opvolgen ambtelijk bevel. 2. Belediging, art. 266 jo 267 sub 2 Sr. Ad 1. Tenlastegelegd en bewezenverklaard is dat de vordering aan de verdachte om te vertrekken is gedaan krachtens art. 10 APV ?s-Hertogenbosch 1996. Deze bepaling houdt niet in dat de politieambtenaar is gerechtigd tot het doen van een vordering als waarvan te dezen sprake is. De bewezenverklaring is daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BJ9796. Het Hof heeft m.b.t. de context waarin de verdachte de uitlatingen ?waarom loog je? en ?jij moet niet liegen? heeft gedaan vastgesteld dat de agent op de openbare weg en in aanwezigheid van uitgaanspubliek werkzaam was in het kader van de handhaving van de openbare orde, hetgeen inhoudt dat verdachte met zijn uitlatingen de integriteit van die agent in twijfel heeft getrokken ten overstaan van het aanwezige publiek. ?s Hofs oordeel dat onder deze omstandigheden de uitlatingen beledigend zijn, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. |
| 15-12-2011 | BU9710 | Vrijspraak inbraak/heling (mm). Verweer onrechtmatige aanhouding (onvoldoende verdenking voor geven stopteken) en onrechtmatige uitoefening bevoegdheid door verbalisanten (misbruik Wet op de Identificatieplicht) verworpen . |
| 25-10-2011 | BS1729 | Binnentreden in woning. Art. 2.3 Algemene wet op het binnentreden. ?s Hofs oordeel dat de politieambtenaren in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs konden en mochten aannemen dat er sprake was van een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van personen of goederen waardoor terstond in de woning moest worden binnengetreden a.b.i. art. 2.3. Awbi geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat, zoals het Hof heeft vastgesteld, de voordeur van de woning van verdachte inmiddels ruim tien minuten openstond en sprake was van braakschade, zodat een gerede kans bestond dat in de woning van verdachte was of werd ingebroken en iemand (daardoor) hulp behoefde. Conclusie AG: anders. |