Lexplicatie 5.4a; Werkloosheidswet

Auteurs:
ZeeJongbloed prijs:
€ 69,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 846 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 2e editie | Verschenen in 2011
ISBN-13: 9789013087925 | ISBN-10: 9013087922 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
Voor een goed begrip van de Werkloosheidswet is kennis van uitvoeringsregelgeving, beleid en jurisprudentie onontbeerlijk.
Dit Lexplicatiedeel zet alle relevante regelgeving en de beleidsregels van het uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op een rij. De auteur verschaft, veelal aan de hand van citaten, inzicht in (wets)historie, uitvoering en rechterlijke interpretatie van de WW.
Een veelzijdig maar compact overzicht van het stelsel dat werknemers in Nederland verzekert tegen het risico van onvrijwillige werkloosheid.
Serie
Rubriek / NUR
Arbeids- & Sociaal recht
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: 4.210 Nederland, Arbeidsrecht, Werkloosheidswet
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Aanwijzingsregeling in buitenland gevestigde werkgever
- Beleidsregel Boete werknemer 2010
- Beleidsregel maatregelen UWV
- Beleidsregel terug- en invordering
- Beleidsregels Protocol Scholing
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 23-03-2012 | BV9859 | Tussenuitspraak. Toekenning WW-uitkering. Dagloon. Vorderbaar, maar niet tevens inbaar. Appellant heeft aangetoond dat de dertiende maand in het refertejaar vorderbaar was. Ook is door appellant onmiskenbaar aangetoond dat de werkgever in het refertejaar niet tot betaling wilde overgaan. Daarmee is voldaan aan artikel 2, vierde lid, eerste volzin, van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen. Hieruit volgt dat het Uwv bij de berekening van het WW-dagloon de dertiende maand had moeten betrekken. Het Uwv krijgt de opdracht een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen. |
| 14-03-2012 | BV9303 | Afwijzing aanvraag om een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Op grond van de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand heeft de werkgever geen ontheffing hoeven vragen toen hij betrokkenen, geheel of grotendeels werkzaam in de binnendienst, in een vorstperiode bij toerbeurt naar huis heeft gestuurd wegens terugloop van werk. In de Algemeene machtiging is geen onderscheid gemaakt tussen een stopzetting van de werkzaamheden als direct of indirect gevolg van vorst. Uit de CAO voor de betonproductenindustrie volgt dat betrokkenen gedurende onwerkbaar weer in de winter jegens hun werkgever geen aanspraak hebben op doorbetaling van het loon. Ook in de CAO is bij de afwijking van artikel 7:628, eerste lid, van het BW geen verschil gemaakt tussen het niet verrichten van de overeengekomen arbeid als direct of indirect gevolg van vorst. Het karakter van de specifieke regeling voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden brengt mee dat de woorden ?uitsluitend als gevolg van? in artikel 18 van de WW restrictief moeten worden uitgelegd. Aan de voorwaarde dat een werknemer uitsluitend als gevolg van vorst werkloos is, zal zijn voldaan indien het hem door vorst boven of in de grond geheel of nagenoeg geheel onmogelijk is om zijn werkzaamheden te verrichten en wel zolang die vorsttoestand voortduurt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 18 kan niet worden opgemaakt dat met de woorden ?uitsluitend als gevolg van? alleen is beoogd duidelijk te maken dat dit artikel niet geldt voor de situatie waarin werkloosheid wegens ontslag samenloopt met werkloosheid wegens onwerkbaar weer en dat werkloosheid door een niet rechtstreeks gevolg van vorst wel recht geeft op een WW-uitkering onder de bijzondere condities van dat artikel. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroepen ongegrond. |
| 14-03-2012 | BV9329 | Afwijzing aanvraag om een WW-uitkering wegens onwerkbaar weer. Op grond van de Algemeene machtiging tot werktijdverkorting bij onwerkbaar weer of ongunstigen waterstand heeft de werkgever geen ontheffing hoeven vragen toen hij betrokkenen, geheel of grotendeels werkzaam in de binnendienst, in een vorstperiode bij toerbeurt naar huis heeft gestuurd wegens terugloop van werk. In de Algemeene machtiging is geen onderscheid gemaakt tussen een stopzetting van de werkzaamheden als direct of indirect gevolg van vorst. Uit de CAO voor de betonproductenindustrie volgt dat betrokkenen gedurende onwerkbaar weer in de winter jegens hun werkgever geen aanspraak hebben op doorbetaling van het loon. Ook in de CAO is bij de afwijking van artikel 7:628, eerste lid, van het BW geen verschil gemaakt tussen het niet verrichten van de overeengekomen arbeid als direct of indirect gevolg van vorst. Het karakter van de specifieke regeling voor werkloosheid als gevolg van buitengewone natuurlijke omstandigheden brengt mee dat de woorden ?uitsluitend als gevolg van? in artikel 18 van de WW restrictief moeten worden uitgelegd. Aan de voorwaarde dat een werknemer uitsluitend als gevolg van vorst werkloos is, zal zijn voldaan indien het hem door vorst boven of in de grond geheel of nagenoeg geheel onmogelijk is om zijn werkzaamheden te verrichten en wel zolang die vorsttoestand voortduurt. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 18 kan niet worden opgemaakt dat met de woorden ?uitsluitend als gevolg van? alleen is beoogd duidelijk te maken dat dit artikel niet geldt voor de situatie waarin werkloosheid wegens ontslag samenloopt met werkloosheid wegens onwerkbaar weer en dat werkloosheid door een niet rechtstreeks gevolg van vorst wel recht geeft op een WW-uitkering onder de bijzondere condities van dat artikel. Vernietiging aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat appellant opnieuw beslist op de bezwaren van betrokkenen. |
| 17-02-2012 | BU8926 | Art. 59, lid 3, Wfsv; art. 7:610 BW. Notarissen in dienst van vennootschap waarin zij middellijk aandeelhouder zijn? |
| 08-02-2012 | BV3547 | Toekenning WW-uitkering. Appellant heeft ook zijn werkzaamheden als militair ambtenaar als werknemer in de zin de WW verricht. Voor de bepaling van het gemiddeld aantal per week gewerkte uren dient bezien te worden wat de omvang van het aantal uren in beide dienstbetrekkingen van appellant gezamenlijk was in de referteperiode. Het Uwv heeft dat ten onrechte niet gedaan en de rechtbank heeft dat in haar oordeel ook niet tot uitdrukking gebracht. Vernietiging aangevallen uitspraak. Beroep gegrond. Vernietiging bestreden besluit. De Raad herroept het primaire besluit voor zover daarbij is beslist over vrij te laten uren en stelt het gemiddeld arbeidsurenverlies vast op 49,04 uur per week. |