Jongbloed, de boekhandel voor juridisch Nederland

Lexplicatie 3.66c; Verdragen nationaliteitswetgeving

Auteurs: Groot

Jongbloed prijs: € 69,50
Leverbaar Dit boek is leverbaar en op voorraad

Boek | Ingenaaid | 989 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 1e editie | Verschenen in 2011
ISBN-13: 9789013077513 | ISBN-10: 901307751X | PDF Inhoudsopgave



Samenvatting

Wie is Nederlander? Welke regels gelden voor het verkrijgen en verliezen van het Nederlanderschap? Voor de beantwoording van dergelijk vragen is niet alleen nationale regelgeving van belang. Er zijn ook een groot aantal bilaterale en multilaterale verdragen die in dit verband relevant zijn.

Dit Lexplicatiedeel bundelt de relevante internationale regelgeving, inclusief de regelgeving betreffende het Europees burgerschap. Met inleidingen, kernbeschrijvingen en artikelsgewijs commentaar, geven de auteurs uitleg over de achtergronden, de jurisprudentie en het beleid dat in Nederland op basis van de internationale regelgeving wordt gevoerd.

Dit Lexplicatiedeel vormt een complete set met 3.66a (Nederlandse nationaliteitswetgeving) en 3.66b (Handleidingen voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap).

Inhoudsopgave:
Bilaterale verdragen en daarop betrekking hebbende wetten, besluiten en circulaires
Multilaterale verdragen
Multilaterale verdragen waarbij Nederland geen partij meer is
Verklaringen, resoluties en aanbevelingen van internationale organisaties
Regelgeving betreffende het Europees burgerschap
Regelgeving betreffende de positie van Molukkers

Serie


Rubriek / NUR

Staats- & Bestuursrecht

Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Datum Titel
25 mei Organische Europese Democratie 0 0 0 0

Juridische kalender

Trefwoorden

De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: 4.210 Nederland, Nationaliteitswetgeving, Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht, Staatsrecht

Literatuurlijsten


Wettenbundels

In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:

  • Aanbeveling 564 (1969) betreffende de verwerving van de nationaliteit van het land van verblijf door vluchtelingen (Engelse tekst)
  • Aanbeveling 564 (1969) betreffende de verwerving van de nationaliteit van het land van verblijf door vluchtelingen (Franse tekst)
  • Aanbeveling 696 (1973) betreffende bepaalde aspecten van de verwerving van nationaliteit (Engelse tekst)
  • Aanbeveling 696 (1973) betreffende bepaalde aspecten van de verwerving van nationaliteit (Franse tekst)
  • Aanbeveling 841 (1978) betreffende de tweede generatie migranten (Engelse tekst)
  • Toon alle wetten die in deze bundel staan.

Recente uitspraken bij deze wetten:
Datum LJN Samenvatting
04-04-2012 BW0804 Bij besluit van 13 juli 2010 heeft de minister de vennootschap een boete opgelegd van € 32.000,00 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav).
15-03-2012 BW0011 UNIEBURGERS. Arrest Ruiz Zambrano.
07-03-2012 BV8631 De vreemdeling betoogt terecht dat de arresten Ruiz Zambrano en Dereci ook betekenis hebben in een geval als het hare, waarin de kinderen, als minderjarige burgers van de Unie, zich buiten het grondgebied van de Unie bevinden. Uit voormelde arresten volgt dat het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ten minste het verblijf van die burger op het grondgebied van de Unie inhoudt. Hoewel de feitelijke situatie in voormelde arresten zodanig was dat de desbetreffende minderjarige burgers van de Unie zich op het grondgebied van de Unie bevonden, is de ontzegging van het effectieve genot van dat verblijfsrecht, in geval van een minderjarige burger van de Unie die ten laste komt van een ouder, staatsburger van een derde land, en die door de mate van afhankelijkheid van die ouder feitelijk verplicht wordt het grondgebied van de Unie met deze te verlaten, niet anders dan in geval hem feitelijk de toegang tot het grondgebied van de Unie wordt ontzegd, omdat aan de ouder van wie hij in vorenbedoelde zin afhankelijk is geen toegang tot het grondgebied van de Unie wordt verleend. In beide gevallen is immers evenzeer sprake van de uitzonderlijke situatie, als bedoeld in punt 67 van het arrest Dereci, dat de nuttige werking wordt ontnomen aan het staatsburgerschap van de Unie dat de desbetreffende minderjarige toekomt. De vreemdeling betoogt evenzeer terecht dat het besluit van 6 oktober 2010 in strijd is met artikel 20 van het VWEU en dat de minister haar ten onrechte tegenwerpt dat, wanneer zij in Indonesië verblijft, de kinderen bij hun grootouders in Nederland kunnen verblijven. Daargelaten of de grootouders feitelijk bereid en in staat zijn de kinderen op te vangen, is, zoals is vermeld in punt 44 van het arrest Ruiz Zambrano en herhaald in punt 65 van het arrest Dereci, de vraag of minderjarige burgers van een lidstaat van de Unie die ten laste komen van hun ouders, staatsburgers van een derde land, het grondgebied van de Unie moeten verlaten indien aan die ouders het recht wordt ontzegd in de desbetreffende lidstaat te verblijven, bij het Hof slechts gerezen vanuit het enkele uitgangspunt dat een dergelijke weigering de kinderen zal verplichten de ouders te volgen. Bij de beantwoording van die vraag heeft het Hof derhalve uitsluitend relevant geacht of de desbetreffende kinderen, door beide ouders (in het geval van Ruiz Zambrano) of één van beide ouders (in het geval van Dereci) te volgen, feitelijk worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In dit geval is de vreemdeling de enige ouder van de kinderen en zijn zij, omdat zij minderjarig zijn en te haren laste komen, derhalve verplicht haar te volgen in haar verblijf in Indonesië. Gelet hierop heeft de minister in het besluit van 6 oktober 2010 niet deugdelijk gemotiveerd dat de daarin vervatte weigering de vreemdeling een mvv te verlenen, niet tot gevolg heeft dat haar kinderen feitelijk niet op het grondgebied van de Unie kunnen verblijven.
07-03-2012 BV8619 Uit de overwegingen van het Hof in het arrest Dereci, waarin een nadere uitleg wordt gegeven van het arrest Ruiz Zambrano, is af te leiden dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. Zoals volgt uit punt 68 van het arrest Dereci, wordt dit recht niet als zodanig door artikel 20 van het VWEU beschermd, maar door andere internationaal-, Unie , en nationaalrechtelijke regelingen en bepalingen, zoals artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, Unierechtelijke verblijfsrichtlijnen en artikel 15 van de Vw 2000. Bij de beantwoording van genoemde vraag is onder meer de wens van gezinsleden om als gezin in Nederland of in de Unie te verblijven dus eveneens van beperkt belang. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de minister geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven. In het geval het gezin bestaat uit één ouder die burger is van een derde land en één ouder die burger van de Unie is, en ook een minderjarig kind dat burger van de Unie is, komt, zo leidt de Afdeling af uit het hiervoor onder 2.5.2. genoemde punt 65 van het arrest Dereci en de verwijzing daarin naar de punten 43 en 44 van het arrest Ruiz Zambrano, bij de beantwoording van vorenbedoelde vraag betekenis toe aan het gegeven dat Nederlanders in Nederland in beginsel aanspraak kunnen maken op verstrekking van een uitkering uit de openbare kas. Voorts wordt van overheidswege en door maatschappelijke instellingen hulp en ondersteuning bij - bijvoorbeeld - zorg en opvoeding geboden. Van leden van een dergelijk gezin kan dan ook worden verlangd dat zij gebruik maken van de mogelijkheid deze aanspraken en hulp te ontvangen, als daarmee kan worden voorkomen dat een burger van de Unie feitelijk wordt verplicht niet alleen Nederland, maar het grondgebied van de Unie als geheel te verlaten. Van de situatie dat een burger van de Unie niettemin zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, zal in dergelijke gevallen dan ook slechts sprake zijn, indien de burger van het derde land aannemelijk maakt dat de andere ouder, ook indien deze van vorenbedoelde mogelijkheid om aanspraken en hulp te ontvangen gebruik maakt, feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij die ouder in Nederland of de Unie, zonder die vreemdeling, in wezen onmogelijk is. In dat geval zal het kind immers gedwongen zijn de ouder die burger van een derde land is, te volgen naar buiten het grondgebied van de Unie. De beantwoording van de vraag of de burger van het derde land aannemelijk heeft gemaakt dat zich deze situatie voordoet, vergt een beoordeling door de minister van de, gelet op artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), door de burger van het derde land in de bestuurlijke fase aan te voeren, feiten en omstandigheden van het geval. De uitkomst van die beoordeling kan door de rechter zonder terughoudendheid worden getoetst. Niet in geschil is dat het kind van de vreemdeling en zijn echtgenote de status van burger van de Unie bezitten, zodat zij zich, ook ten opzichte van Nederland, op de bij die status behorende rechten kunnen beroepen. Dat zij daarnaast ook een andere nationaliteit hebben, doet niet af aan de rechten die zij, als burgers van de Unie, ontlenen aan artikel 20 van het VWEU. De vreemdeling betoogt dat zijn kind feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten, omdat hij degene is die de zorg voor het kind moet dragen, omdat zijn echtgenote daartoe zonder hem niet in staat is. De vreemdeling heeft echter, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2.1 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt dat zijn echtgenote feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen, zodat verblijf voor het kind bij de echtgenote zonder de vreemdeling in wezen onmogelijk is en het kind de vreemdeling zal moeten volgen. Ook uit de door de vreemdeling in beroep bij de rechtbank overgelegde stukken blijkt niet dat de echtgenote die zorg niet kan dragen. Die stukken hebben immers betrekking op het arbeidsvermogen van de echtgenote in relatie tot haar psychische klachten. Zij gaan niet over de vraag of zij, al dan niet met hulp van derden, de zorg voor het kind kan dragen. Anders dan de vreemdeling voorts betoogt, en gelet op hetgeen hiervoor onder 2.5.4. is overwogen, heeft de rechtbank in verband met de vraag of de echtgenote de zorg voor het kind kan dragen, terecht betekenis toegekend aan het gegeven dat zijn echtgenote hulp en ondersteuning kan krijgen van maatschappelijke instellingen zoals thuiszorgorganisaties of Bureau Jeugdzorg. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij deze hulp en ondersteuning bij vertrek van de vreemdeling niet zal kunnen krijgen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het kind niet feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten, doordat de minister aan de vreemdeling geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend. Het kind wordt dan ook niet het effectieve genot ontzegd van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten.
02-03-2012 BV7393 BPM. Art. 10, lid 2, Wet BPM. Art. 110 VWEU. Wettelijke bepaling over afschrijvingsgrondslag voor gebruikte auto?s in strijd met Europees recht.