Lexplicatie 3.27c; Voorschrift Vreemdelingen 2000 e.a.

Auteurs:
RaukemaJongbloed prijs:
€ 49,50
Dit boek is leverbaar en op voorraad
Boek | Ingenaaid | 484 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 2e editie | Verschenen in 2009
ISBN-13: 9789013068139 | ISBN-10: 9013068138 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
Dit Lexplicatiedeel bevat het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en de overige lagere regelingen die van belang zijn voor de uitvoering van deVreemdelingenwet 2000. De regels over grensbewaking en toezicht, de toegang, de toelating en de uitzetting van vreemdelingen nader uitgewerkt.
In combinatie met deel 3.27a en 3.27b verschaft dit deel een compleet overzicht van de Nederlandse regelgeving op het gebied van het vreemdelingenrecht, met een schat aan informatie over context, totstandkomingsgeschiedenis en jurisprudentie.
Serie
Rubriek / NUR
Staats- & Bestuursrecht
Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Vreemdelingenrecht
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Algemene ondermandaatregeling IND 2005
- Convenant inzake uitwisseling van gegevens tussen de Algemene Inlichtingen- en veiligheidsdienst en de Immigratie- en naturalisatiedienst
- Gedragscode internationale student in het Nederlandse hoger onderwijs
- Regeling Commissie Integraal Toezicht Terugkeer
- Regeling tolkenvergoeding Immigratie- en Naturalisatiedienst
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 22-03-2012 | BW0571 | Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd voor zover de Rb. daarbij het beroep gegrond heeft verklaard en het besluit van 9 juli 2010 heeft vernietigd. De Afdeling ziet evenwel, gelet op hetgeen onder 2.3.3. is vermeld, in hoger beroep alsnog aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven. Om die reden is geen plaats meer voor het oordeel van de Rb. voor zover daarbij het besluit van 20 oktober 2009 is herroepen, alsmede is bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit en de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in haar uitspraak is overwogen. De aangevallen uitspraak dient dan ook in zoverre te worden vernietigd. |
| 07-03-2012 | BV9262 | ASIEL. Zorgvuldigheid. Nu de minister het advies om de vreemdeling voorafgaand aan het nemen van het besluit aan psychiatrisch onderzoek te onderwerpen, niet heeft opgevolgd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat door de handelwijze van de minister op voorhand het risico aanwezig was dat de vreemdeling niet naar behoren zou kunnen verklaren ten gevolge van zijn psychische situatie en dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld bij de totstandkoming van het besluit.
|
| 09-12-2011 | BU8626 | Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2011 in zaak nr. 201011816/1 (www.raadvanstate.nl) volgt dat in artikel 4, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) en het daarop gebaseerde Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen (hierna: het Besluit), uitputtend is geregeld aan welke vreemdelingen een aantekening wordt afgegeven waaruit blijkt dat hun is toegestaan arbeid te verrichten. De door de staatssecretaris aan de vreemdeling afgegeven aantekening dat hem niet is toegestaan arbeid te verrichten, is derhalve een mededeling over de rechtstreeks uit de wet volgende rechtspositie van de vreemdeling. Die aantekening is niet op enig rechtsgevolg gericht en is derhalve geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Die aantekening houdt echter wel een voor de vreemdeling in het rechtsverkeer relevante mededeling in over zijn positie als vreemdeling op de arbeidsmarkt en is derhalve een appellabele feitelijke handeling als bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Nu tot deze uitspraak geen uitsluitsel bestond over de vraag of een aantekening als thans aan de orde een besluit, een appellabele feitelijke handeling of geen van beide is, de vreemdeling eerst na afloop van de wettelijke bezwaartermijn professionele rechtsbijstand heeft ingeschakeld en hij toen binnen een redelijke termijn alsnog bezwaar heeft gemaakt, is de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar. |
| 08-09-2011 | BT1929 | In hoger beroep is de overweging van de rechtbank dat in het besluit van 2 april 2009 ten onrechte toepassing is gegeven aan artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet bestreden, zodat thans moet worden uitgegaan van de juistheid van die overweging. Hiermee staat thans in rechte vast dat de minister de toetsing van de geloofwaardigheid van het relaas aan de hand van de toetsing of van de verklaringen positieve overtuigingskracht uitgaat, niet mede op de toepasselijkheid van dat onderdeel kon baseren. De minister heeft, ter zake van de toepasselijkheid van de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht, echter ook verwezen naar de omstandigheid dat de vreemdeling niet zo spoedig mogelijk een asielaanvraag heeft ingediend en geen goede redenen heeft aangevoerd waarom dit is nagelaten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, geeft artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000, gezien hetgeen hiervoor onder 2.2.1. is vermeld, geen limitatieve opsomming van omstandigheden die kunnen worden betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag, zodat er in zoverre voor de minister geen beletsel was om de toepasselijkheid van de toetsingsmaatstaf van de positieve overtuigingskracht op deze omstandigheid te baseren. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 juli 2011, zaak nr. 201100226/1/V2, www.raadvanstate.nl), stelt de minister met het in rechtsoverweging 2.2.2. weergegeven beleid, in het geval niet is voldaan aan de in artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000 gestelde voorwaarden, de desbetreffende vreemdeling in staat zijn asielrelaas alsnog aannemelijk te maken, met dien verstande dat alsdan van dat asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Uit het in rechtsoverweging 2.2.2. weergegeven beleid kan niet worden afgeleid dat slechts indien zich één van de in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder a tot met f, van de Vw 2000 genoemde omstandigheden voordoet, van het asielrelaas positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Nu de vreemdeling de aanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en geen goede redenen kan aanvoeren waarom dit is nagelaten, voldoet zij niet aan één van de voorwaarden in artikel 3.35, derde lid, van het VV 2000, zodat van haar overige verklaringen positieve overtuigingskracht dient uit te gaan om haar verklaringen alsnog als aannemelijk te beschouwen. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister, door van de vreemdeling te verlangen dat haar verklaringen positieve overtuigingskracht hebben, in dit geval een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. |
| 02-09-2011 | BR6949 | Bij besluit van 22 mei 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd te verlenen ingewilligd. |