Lexplicatie 7.18a; Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPs-verdrag)

Auteurs:
Cohen Jehoram,
RörschJongbloed prijs:
€ 39,50
Dit boek is leverbaar zo lang de voorraad strekt
Boek | Ingenaaid | 215 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 1e editie | Verschenen in 2008
ISBN-13: 9789013060416 | ISBN-10: 9013060412 |
Inhoudsopgave


Samenvatting
Het TRIPs-verdrag beoogt de bescherming van intellectuele eigendomsrechten in het internationale handelsverkeer te waarborgen. Dit Lexplicatiedeel bevat zowel de Nederlandse vertaling als de authentieke Engelse tekst. Daarnaast is de overige regelgeving opgenomen die voor het onderwerp van belang is.
De auteurs hebben de artikelen van het verdrag van commentaar voorzien, veelal ontleend aan de parlementaire geschiedenis van de goedkeuringswet en de jurisprudentie. Een inleiding met uitvoerige literatuurlijst maakt het deel compleet.
Serie
Rubriek / NUR
Ondernemingsrecht
Aankomende cursussen omtrent Ondernemingsrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Intellectuele eigendom, Parlementaire geschiedenis, Verdragen, Goedkeuringswet, 4.210 Nederland, TRIPS
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Agreement on Trade-Related Aspects of Intellectual Property Rights
- Bepalingen uit de Berner Conventie (1971) waarnaar wordt verwezen in art. 9.1 TRIPS-verdrag
- Bepalingen uit het Verdrag van Parijs (1967) waarnaar wordt verwezen in art. 2.1 TRIPS-verdrag
- Besluit van de Raad van 19 november 2007, PbEU, L 311/35 tot aanvaarding, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol tot wijziging van de TRIPS-overeenkomst
- Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 12-07-2011 | BR1364 | Intellectuele eigendom en internationaal privaatrecht; merkenrecht. Art. 22 sub 4 EEX-Verordening is niet van toepassing in het kader van voorlopige maatregelen. GAT-LuK-doctrine geldt voor alle industriële-eigendomsrechten die worden genoemd in art. 22 sub 4 EEX-Verordening. GAT-LuK-doctrine brengt niet mee dat rechter inbreukbevoegdheid verliest. Art. 1019h Rv is ook van toepassing wanneer in een procedure de vraag aan de orde is of inbreuk wordt gemaakt op een intellectuele-eigendomsrecht in een andere EU-lidstaat. |
| 28-09-2010 | BN8795 | Inbreuk op auteursrecht computerprogramma en/of kinetisch schema in landen EU en 52 landen daarbuiten. Toepasselijk recht (lex loci protectionis) beheerst ook sancties ter handhaving auteursrecht (rov. 5.5 en 5.8). Naar Nederlands recht kan een aanspraak op informatie over de identiteit van afnemers onder omstandigheden ook betrekking hebben op afnemers in andere landen (rov. 10). Geen rechtsgrond voor ?betrokkenheidsverbod? (rov. 9). Kosten voor legal opinions over buitenlands recht vallen niet onder art. 6:96 lid 2 onder b BW (rov. 17). Voorwaardelijke vermindering van eis kan niet in beschouwing worden genomen wanneer de voorwaarde pas op het moment van het wijzen van het eindarrest in vervulling kan gaan (rov. 6.5). |
| 26-06-2009 | BH8674 | Merkenrecht. Nietigheid van inschrijving van merk wegens verwarring met algemeen bekend woord/beeldmerk (JAGUAR) in zin van art. 2.4, aanhef en onder e, BVIE (art. 4, aanhef en onder 5, oud BMW) en art. 6bis Unieverdrag?, maatstaf; eis van soortgelijkheid als bedoeld in art. 6bis; prejudiciële vragen aan Benelux-Gerechtshof over uitleg van art. 4, aanhef en onder 5, oud BMW voor de periode vóór inwerkingtreding van art. 16 lid 3 Trips-Verdrag. |
| 24-08-2006 | AY7534 | Art. 223 en art. 843a Rv. Hof: vordering tot afgifte van stukken is niet als een provisionele vordering aan te merken, daar bij de gevorderde maatregel niet gesproken kan worden van een voorziening die werking heeft voor de duur van het bodemgeschil. De vordering tot afgifte van de (originele) tekening(en) is zonder nadere gronden niet voor toewijzing op grond van artikel 843a Rv vatbaar. |
| 26-07-2006 | AY5373 | In haar memorie van antwoord in het principaal appel, tevens memorie van grieven in het incidenteel appel, welk stuk is genomen op 13 juli 2005 - derhalve ná de verklaring van [appellant] ex art. 260 Rv - heeft [geïntimeerde] het hof verzocht om hetgeen haar in eerste aanleg reeds was toegewezen (de "hoofdvordering"), in het incidenteel appel opnieuw aan haar toe te wijzen, nu zij daarbij belang heeft waar immers de termijn ex art. 260 Rv is verstreken en dientengevolge [appellant] met een beroep op die termijn aan het vonnis d.d. 25 mei 2005 haar werking kan ontnemen. Aldus stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat overschrijding van bedoelde termijn, gevolgd door een verklaring dienaangaande van de wederpartij, aan het vonnis zijn werking ontneemt. |