Lexplicatie 3.39a; Wetgeving adviesstelsel rijksoverheid

Auteurs:
StormJongbloed prijs:
ca. € 39,50
Dit boek is uitverkocht
Boek | Ingenaaid | 275 bladzijden | Nederlands
Kluwer | 1e editie | Verschijnt in 2008
ISBN-13: 9789013057836 | ISBN-10: 9013057837 |
Inhoudsopgave


Nieuwe editie
Er is van dit boek een recentere editie bekend.
Samenvatting
Dit Lexplicatiedeel bundelt de regelgeving over colleges die het Rijk adviseren over zaken van wetgeving en bestuur, zoals bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad, de Gezondheidsraad en de Algemene Energieraad.
De Kaderwet adviescolleges geeft algemene regels over inrichting, samenstelling en bevoegdheden van de adviescolleges. Naast deze wet bevat dit boek ook de specifieke regelgeving per adviescollege.
Het commentaar van de auteur zorgt ervoor dat de lezer gemakkelijk en snel inzicht krijgt in de positie en de taken van de colleges die onze rijksoverheid adviseren.
Serie
Rubriek / NUR
Staats- & Bestuursrecht
Aankomende cursussen omtrent Staats- & Bestuursrecht:
Juridische kalender
Trefwoorden
De volgende trefwoorden zijn opgenomen bij dit boek: Overheid
Literatuurlijsten
Wettenbundels
In deze titel zijn een aantal wetten opgenomen waaronder:
- Besluit instelling Adviescollege burgerluchtvaartveiligheid
- Circulaire van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken van 26 juni 1997, nr. HAS97/U23, betreffende de instelling van adviescolleges
- Flora- en faunawet
- Gezondheidswet
- IJkwet
- Toon alle wetten die in deze bundel staan.
Recente uitspraken bij deze wetten:
| Datum | LJN | Samenvatting |
| 12-04-2012 | BW4068 | Niet is gebleken dat de verzending van het afschrift van de uitspraak per faxbericht in het onderhavige geval met de door artikel 8:37, eerste lid, van de Awb, vereiste waarborgen was omkleed. Nu evenwel niet in geschil is dat appellanten het afschrift van de uitspraak per faxbericht op 13 januari 2012 hebben ontvangen en de waarborg van artikel 8:37, eerste lid, van de Awb erin is gelegen te verzekeren dat de betrokken partij het afschrift van de uitspraak daadwerkelijk ontvangt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. |
| 03-04-2012 | BW1435 | Omdat dit verblijfsrecht, gelet op overweging 2.2.3., formeel beperkt is, valt het onder de categorie verblijfsrechten als omschreven in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de richtlijn. Daarom wordt de periode van 31 augustus 2006 tot 28 september 2006 op grond van artikel 4, tweede lid, van de richtlijn niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het in het artikel 4, eerste lid, bedoelde verblijf. Uit artikel 4, tweede lid, van de richtlijn volgt evenwel niet dat deze periode een onderbreking van het legale verblijf als bedoeld in het eerste lid vormt. De periode wordt alleen niet meegeteld, zodat een vreemdeling die in de vijf jaar voorafgaand aan zijn aanvraag enige tijd een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad, eenzelfde periode langer legaal en ononderbroken in de lidstaat zal dienen te verblijven om aan de vereisten van artikel 4, eerste lid, van de richtlijn te voldoen. (?) Op grond van artikel 21, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd als EU-langdurig ingezetene echter reeds worden afgewezen, indien de vreemdeling in de vijf jaar direct voorafgaand aan zijn aanvraag een formeel beperkt verblijfsrecht heeft gehad. (?)
|
| 03-04-2012 | BW1458 | FORMEEL BESTUURSRECHT. Partijen en gemachtigden. Bekendmaking via gemachtigde.
|
| 30-03-2012 | BW1467 | BESTUURSPROCESRECHT. Schadevergoeding. Redelijke termijn. 6 EVRM. Periode waarin minister naar aanleiding van intrekking besluit wegens gronden beroep nieuw besluit moet nemen, telt mee bij duur procedure in het kader van de redelijke termijn.
|
| 28-03-2012 | BW0601 | Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 15 oktober 2009 in zaak nr. 200907306/1/V3; www.raadvanstate.nl) strekt inbewaringstelling ter fine van uitzetting, zodat de bevoegdheid van de minister om de vreemdeling in bewaring te stellen afhankelijk is van diens bevoegdheid om de vreemdeling uit te zetten. Derhalve bestaat, zolang de ingevolge artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 aan een vreemdeling gegunde termijn om Nederland uit eigen beweging te verlaten niet is verstreken, gelet op voormelde bepaling, gelezen in samenhang met artikel 63, eerste lid, van de Vw 2000, geen ruimte om die vreemdeling in bewaring te stellen. Door er onder verwijzing naar de door de minister verschafte toelichting dat en waarom de vreemdeling de Europese Unie onmiddellijk dient te verlaten, bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel van uit te gaan dat de vreemdeling een vertrektermijn is onthouden, heeft de Rb. niet onderkend dat de vreemdeling in het terugkeerbesluit van 6 januari 2012 een vertrektermijn van 28 dagen is gegund. Dat is doorslaggevend. Dat dit niet op goede gronden zou zijn gebeurd, zoals de minister betoogt, is, wat daar verder ook van zij, in dit kader niet relevant. Uitsluitend een wijziging van dit besluit zou eventueel consequenties voor de vertrektermijn kunnen hebben. Het proces-verbaal van 9 januari 2012 kan niet als zodanige wijziging worden aangemerkt, reeds omdat de op de zaak betrekking hebbende stukken geen blijk geven van een rechtsgeldige bekendmaking daarvan aan de vreemdeling. Gelet op de hiervoor onder 2.4.1. weergegeven jurisprudentie klaagt de vreemdeling derhalve terecht dat haar inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht. |